FAQ

Visitatieproces

Volgens de Governancecode 2011 is opdrachtverlening van de visitatie een gezamenlijke verantwoordelijkheid van RvT en bestuurder. In de methodiek is dat ook zo opgenomen. De Woningwet laat zich er niet specifiek over uit en stelt dat ‘de toegelaten instelling zorg moet dragen voor tijdige visitatie’. Eventueel is het mogelijk dat alleen de RvT opdrachtgever is maar het is niet wenselijk dat alleen de bestuurder opdrachtgever is voor de visitatie.

Nee, dat hoeft niet, maar het mag wel. Deze regel is ingevoerd om er voor te zorgen dat huurders als belangrijkste stakeholders vrijuit kunnen spreken en goed gehoord worden. Als er meerdere huurdersorganisaties zijn mogen deze wel gezamenlijk worden gehoord (maar niet samen met de gemeente of andere stakeholders).

In principe wel maar dat hangt ook van de lokale situatie af. Als er sprake is van meerdere gemeenten waar de corporatie werkt kunnen deze eventueel gezamenlijk worden gehoord in een groepsgesprek. Als er sprake is van grote verschillen in de omvang van het woningbezit per gemeente kan volstaan worden met een face-to-face gesprek met de belangrijkste gemeente(n) en een telefonische of - bij grote aantallen gemeenten - schriftelijke enquête bij de gemeenten waar de corporatie echt een miniem aantal woningen heeft (nog geen 1% van het bezit of een zeer gering aantal van bijvoorbeeld 5-10 woningen). De visitatiecommissie zal de gemaakte keuze om af te wijken van de standaard achteraf moeten verantwoorden in het visitatierapport.

Ja dat mag, mits er geen adviezen worden gegeven en het integraal onderdeel is van de rapportage. Dit kan bijvoorbeeld door een identieke bijlage die in alle afzonderlijke rapporten wordt opgenomen.

Dit mag niet als het vragen of onderwerpen betreft die geen onderdeel uitmaken van de visitatie, aangezien het visiterend bureau niet tegelijkertijd of binnen een periode van twee jaar ander werk voor de corporaties mag uitvoeren (dus geen organisatie-, financieel of andere adviesopdrachten). Een corporatie mag de visitatiecommissie wel extra vragen meegeven die passen binnen de methodiek. Bijvoorbeeld specifieke vragen aan de huurders of andere belanghebbenden. Ook kan de corporatie (via bijv. de position paper) vragen om bepaalde items  - die passen binnen de methodiek - nog wat scherper te bekijken.

In de recensie kan de visitatiecommissie verbeterpunten opnemen. Daarbij gaat het om wat er verbetering zou behoeven en niet om aanbevelingen hoe dit kan worden verbeterd.

CiP rapportages vanaf 2013 zijn te vinden via Aedes Benchmarkcentrum of de Aedes site:

https://www.aedes.nl/artikelen/aedes/vereniging/kennisproducten-aedes/cip/cip.html 

CiP rapportages van 2013 en eerder staan op de site van de Aw per corporatie bij de oordeelsbrieven: https://www.ilent.nl/onderwerpen/autoriteitwoningcorporaties/corporaties/index.aspx

Visitatietermijn

Volgens de Woningwet dient elke corporatie zich ten minste eenmaal per vier jaar te laten visiteren. De visitatie is een terugblik op de achterliggende vier jaren. De visitatie betreft bij voorkeur hele en soms halve kalenderjaren. De nieuwe visitatie moet in ieder geval aansluiten op de vorige periode c.q. jaren van onderzoek.

Het ijkmoment is de datum van het vorige visitatierapport: de op de voorkant vermelde datum van definitieve vaststelling. Uiterlijk vier jaar na deze datum dient de volgende visitatie te zijn afgerond en het volgende rapport te worden opgeleverd.

Het visitatieproces kent een aantal fasen. Allereerst de selectiefase waarin de corporatie de keuze maakt voor een van de zes visiterende bureaus. Vervolgens de feitelijke visitatie waarvoor het visiterend bureau altijd een planning zal opstellen (gemiddeld 2-4 maanden). Het concept visitatierapport zal in een eindbespreking worden besproken met directie en RvC waarna het visiterend bureau het rapport opstuurt naar SVWN ter toetsing. Vanaf dat moment gaat er wettelijk twee keer een termijn van 6 weken gelden, namelijk voor de toetsing van de rapportage en de definitieve vaststelling van het rapport en vervolgens voor het opstellen van de bestuurlijke reactie/zienswijze en de publicatie daarvan met het visitatierapport. Zie voor meer informatie ook de handreiking woningwet.

Elke corporatie moet eens in de vier jaar worden gevisiteerd volgens de op dat moment geldende methodiek. Alle visitaties die na 1 april 2014 zijn gestart maken gebruik van methodiek 5.0.

Ja, dat klopt. Als de corporatie er niet in slaagt om de visitatie in 2016 te starten en af te ronden is men feitelijk te laat. Behalve dat dit in de beoordelingen bij Governance/besturing en intern toezicht consequenties kan hebben, kan Aedes, VTW en/of de Aw hier mogelijk consequenties aan verbinden.

Voor een gefuseerde organisatie geldt dat de visitatie de achterliggende vier jaren moet bevatten en dat kan dus ook deels de jaren van vóór de fusie betreffen van de fusiepartners. Volgens de meest recente uitspraak van de Aedescode commissie wordt de startdatum voor de visitatie bepaald door de organisatie die het laatst is gevisiteerd. Met andere woorden de jongste visitatiedatum geldt. Een fusie betekent niet dat de visitatieverplichting van een van de partners vervalt. Indien de fusie doorgaat moet de visitatie dus de prestaties van de achterliggende vier jaren omvatten, van beide/alle fusiepartners. Dit kan soms betekenen dat de periode waarop de visitatie van een van de fusiepartners betrekking heeft wat langer is dan vier jaar.

In principe moeten opeenvolgende visitaties altijd aansluiten. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij een fusie – mits er dispensatie is verleend door Aedes – kan het betekenen dat er sprake is van een langere termijn dan vier jaar. De visitatiecommissie zal dan de maatschappelijke prestaties van de afgelopen vier jaar beoordelen én daarnaast onderzoeken welke bijzondere gebeurtenissen er hebben plaatsgevonden in de periode tussen de vorige en de huidige visitatie en daarover rapporteren. De commissie zal altijd beoordelen wat er na de vorige visitatie en naar aanleiding van de verbeterpunten en bevindingen van het vorige visitatierapport is gebeurd.

Position paper

Een position paper bestaat uit maximaal 2 à 3 A4-tjes (echt niet meer!) en wordt opgenomen in het visitatierapport in deel 1 of evt. als bijlage (zie pag. 19 van de methodiek).

De onderwerpen van een position paper zijn:

  • wie is de corporatie
  • waar staat ze voor
  • wat wil ze bereiken
  • waar staat ze nu en
  • is de bestuurder daar tevreden over?

De position paper is ingevoerd bij methodiek 5.0 om het leren en de reflectie door de corporatie te stimuleren. Door vooraf een position paper te schrijven bezint en reflecteert de corporatiebestuurder op het functioneren van de corporatie. De bestuurder kan ook aangeven wat hij wil bereiken, waar hij nog niet tevreden over is en ook specifieke items voor de visitatie aandragen. De visitatiecommissie gebruikt de position paper in de gesprekken en geeft in de recensie aan of de corporatie staat waar ze denkt of zou willen staan.

Nee, dat is niet de bedoeling. De position paper heeft tot doel om meer reflectie in het visitatieproces te brengen. De position paper wordt opgesteld door de bestuurder (die daarvoor evt. overlegt met of input vraagt van MT of RvC) en dus niet door een externe of een visitator. De position paper wordt door de visitatiecommissie gebruikt in de diverse gesprekken waarbij de informatie daaruit wordt getoetst en besproken.

Scorekaart

Nee, voor de zes prestatievelden geldt dat niet. Op de scorekaart kunnen voor de zes prestatievelden wel cijfers staan met één getal achter de komma, omdat dat cijfer een gemiddelde is van de diverse prestaties per prestatieveld. Voor de beoordeling van de afzonderlijke onderdelen waaruit elk prestatieveld wordt opgebouwd moeten echter hele cijfers gegeven worden. Cijfers met één getal achter de komma kunnen dus alleen ontstaan als het om een gemiddelde gaat, zoals: het gemiddelde van deelcijfers voor opgaven vanuit de prestatietabel. Of bij belanghebbenden: vanuit de cijfers die belanghebbenden toekennen en die vervolgens gemiddeld worden.

Nee, elke afzonderlijke beoordeling dient met een geheel getal te worden beoordeeld. Alleen bij het samenvoegen van oordelen kan bij berekenen van een gemiddelde een cijfer ontstaan met maximaal 1 decimaal. Dus bij de berekening van de gemiddelde beoordeling van alle belanghebbenden (die elk met een heel getal beoordelen) ontstaat een rapportcijfer met maximaal 1 cijfer achter de komma.

De visitatiecommissie geeft een beoordeling in hele rapportcijfers (geen halfjes of 6 minnetjes). Dit is bedoeld om meer onderscheid te maken in de resultaten en ook goed zichtbaar te laten worden wanneer een corporatie nu echt goed of juist slecht presteert (op een bepaald onderdeel). En om te voorkomen dat alle resultaten blijven hangen rond de 6 of 7.

Jawel, er mogen nog wel cijfers met één getal achter de komma staan, maar alleen als het gaat om een gemiddelde van twee of meer beoordelingen. Zoals bijvoorbeeld het gemiddelde van cijfers voor de opgaven per prestatieveld.
Of bij het onderdeel Presteren volgens Belanghebbenden: Belanghebbenden geven een beoordeling in hele cijfers die vervolgens gemiddeld worden.

Meetschaal

Belanghebbenden geven een cijfer voor de prestaties en over hoe tevreden ze zijn over de corporatie. Dat doen ze in de vorm van rapportcijfers (zoals ook weergegeven in de standaard visitatiemeetschaal, zie methodiek pag. 24). Daar staat geen norm anders dan dat een 6 voldoende is, een 7 ruim voldoende, 8 goed etc.

Voor Presteren naar Opgaven geldt dezelfde meetschaal met rapportcijfers als voor PvB, PnV etc. maar wel met een extra toevoeging. Aan de rapportcijfers zijn omschrijvingen gekoppeld voor kwantitatieve prestaties en voor de mate van afwijkingen. Bij PnO wordt NIET gewerkt met plus- of minpunten.

Nee, voor alle beoordelingen wordt gebruik gemaakt van de standaard meetschaal met rapportcijfers van 1-10 (zie pag. 24 methodiek). Wel zijn er verschillende toevoegingen:

  • Bij Ambities, PnV en Governance wordt gebruik gemaakt van het ijkpunt voor een 6 en eventueel plus- of minpunten.
  • Bij PnO wordt de hoogte van de rapportcijfers mede bepaald aan de hand van de kwantitatieve omschrijving van de behaalde prestaties in relatie tot de opgaven.
  • Bij PnB gebruiken de belanghebbenden alleen de rapportcijfers om hun tevredenheid over de (prestaties van) de corporatie te verwoorden. 

Methodiek 5.0 is de visitatiemethodiek die ingevoerd is vanaf april 2014. Bij methodiek 5.0 zijn de normen voor Governance en Presteren naar Vermogen veranderd en enigszins verzwaard. De normering is veranderd, omdat het voor corporaties haast niet mogelijk was om onder methodiek 4.0 een hoger cijfer dan een 7 te scoren voor Governance of PnV. Door het nieuwe systeem van pluspunten kan dat wel. De normen zijn tegelijkertijd ook verzwaard omdat SVWN vaststelde dat de eisen die aan corporaties gesteld mogen/moeten worden in de afgelopen jaren eveneens zwaarder zijn geworden. Waar het in 2011 bijvoorbeeld nog mooi was als een corporatie zich aan de Governancecode hield, is het anno 2015/2016 niet meer denkbaar dat een corporatie dat niet doet. Dus onder methodiek 4.0 kreeg een corporatie een 7 als ze aan het ijkpunt voor naleving van de Governancecode voldeed en bij methodiek 5.0 krijgt een corporatie een 6 (=voldoende) als ze aan hetzelfde ijkpunt voor naleving van de Governancecode voldoet. Daarbij kan de visitatiecommissie een corporatie een cijfer hoger dan 6 geven als ze niet alleen de code naleeft (zoals in het ijkpunt is geformuleerd) maar kan ze ook pluspunten krijgen voor de wijze waarop en de mate waarin de Governancecode daadwerkelijk doorleefd en gedragen wordt.

Voor Presteren naar Vermogen geldt hetzelfde: ook daar was het voorheen mooi als de corporatie zich aan de normen van het WSW, CFV etc. hield en kreeg een 7 bij methodiek 4.0. Nu vinden we dat echt het minimum en krijgt de corporatie een 6, voldoende, als ze zich aan deze normen houdt. Als een corporatie daar echter actief mee omgaat, zaken goed en degelijk onderbouwt etc. kan de visitatiecommissie op grond daarvan een hoger cijfer dan een 6 geven.

Ja, maar dat is afhankelijk van wanneer het vorige visitatierapport dateert. Bij methodiek 3.0 gebruikte elke visiterend bureau zijn eigen meetschaal (van 1-5, van 5-8 of van 1-10). Vanaf methodiek 4.0 is de uniforme meetschaal ingevoerd met rapportcijfers van 1 tot 10. Daarom zijn rapporten van methodiek 4.0 (vanaf 1-1-2011) en methodiek 5.0 (vanaf april 2014) goed vergelijkbaar als het gaat om Presteren naar Opgaven en Presteren volgens Belanghebbenden. Bij Ambities, Presteren naar Vermogen en Governance zijn de normen enigszins verzwaard (wat in 4.0 een 7 was, is bij 5.0 vaak een 6) maar verder zijn de resultaten grotendeels vergelijkbaar.

Plus- en minpunten

Voor alle items die volgens de methodiek beoordeeld worden (behalve presteren naar opgave) zijn ijkpunten vastgesteld. Als een corporatie voldoet aan deze minimale eis (ijkpunt) krijgt ze een 6 (= voldoende). Pluspunten kunnen alleen worden toegekend als voldaan is aan het ijkpunt. Het ijkpunt markeert dus de grens tussen voldoende en onvoldoende. Een van de doelstellingen van methodiek 5.0 is om een beter onderscheid tussen goed en slecht presterende corporaties te kunnen maken. Daarbij horen duidelijke grenzen, evenals de mogelijkheid om veel hoger te scoren dan een 6 of 7 op basis van de pluspunten. Corporaties kunnen voor prestaties een 8, een 9 of zelfs een 10 halen; de visitatiecommissie zal haar beoordeling daarbij wel goed moeten onderbouwen en duidelijk maken – mede aan de hand van de pluspunten – dat de betreffende presentatie goed, zeer goed of uitmuntend is. Corporaties kunnen ook (veel) lager scoren dan een 6, indien bepaalde prestaties als (ruim of zeer) onvoldoende, danwel slecht of zeer slecht worden beoordeeld. De visitatiecommissie kan dan aan de hand van de minpunten komen tot een beoordeling met een 5, een 4 of nog lager.

Aan de prestaties van een corporatie op een bepaald meetpunt kunnen pas pluspunten worden toegekend als deze prestaties voldoen aan het ijkpunt. Het ijkpunt is een minimum waaraan een goed functionerende corporatie zou moeten voldoen. Indien daaraan niet wordt voldaan, tellen alleen de minpunten. Er vindt geen compensatie van plus- en minpunten plaats. Vergelijk: een auto met goede banden komt ook niet door de APK-keuring als de remmen niet deugen.

Ja, dat klopt. Pluspunten kunnen alleen worden toegekend als voldaan is aan het ijkpunt. Het ijkpunt markeert dus de grens tussen voldoende en onvoldoende.

Een van de doelstellingen van methodiek 5.0 is om een beter onderscheid tussen goed en slecht presterende corporaties te kunnen maken. Daarbij horen duidelijke grenzen evenals de mogelijkheid om veel hoger te scoren dan een 6 of 7 op basis van de pluspunten. Corporaties kunnen voor prestaties een 8, een 9 of zelfs een 10 halen; de visitatiecommissie zal haar beoordeling daarbij wel goed moeten onderbouwen en duidelijk maken - mede aan de hand van de pluspunten - dat de betreffende presentatie goed, zeer goed of uitmuntend is. Corporaties kunnen ook veel lager scoren dan een 6, indien bepaalde prestaties als (ruim of zeer) onvoldoende, danwel slecht of zeer slecht worden beoordeeld. De visitatiecommissie kan dan aan de hand van de minpunten komen tot een beoordeling met een 5, een 4 of nog lager.

Ambities

Nee, dat is veranderd in methodiek 5.0. Omdat er bij methodiek 4.0 veel overlap zat tussen PnA en PnO is besloten om dit te vereenvoudigen. Zoals op pag. 30 van de handleiding is verwoord, beoordeelt en onderbouwt de visitatiecommissie bij Ambities of de corporatie haar eigen (belangrijkste) ambities en doelstellingen voor de maatschappelijke prestaties heeft geformuleerd en of deze passen bij de externe opgaven. Als dit het geval is, wordt voldaan aan de minimale eis van een 6. Het referentiekader biedt vervolgens handvatten voor het geven van pluspunten (indien voldaan is aan de minimale eis) danwel minpunten als daaraan niet voldaan is. Er hoeft dus niet weer een compleet overzicht van de ambities uitgesplitst naar de verschillende prestatievelden te worden opgenomen, maar wel moet helder worden waar eventuele (belangrijke) verschillen met de externe opgaven zitten en of de corporatie die afdoende heeft verklaard.

Presteren naar Opgaven

Het is inderdaad juist dat de visitatiecommissie eerst op zoek moet gaan naar externe opgaven. Dat zijn bij voorkeur prestatieafspraken of convenanten maar dat kunnen ook andere beleidsdocumenten zijn zoals woningmarktonderzoeken of woonvisies die extern besproken en vastgesteld zijn. Als dat er allemaal niet is, onderzoekt de commissie wat de corporatie daar in haar ambities of ondernemingsplannen over heeft opgenomen en of dat ook onderbouwd is. Dan worden vervolgens de prestaties beoordeeld in het licht van die ambities.
Mocht er onverhoopt helemaal niets zijn vastgelegd dan kan de visitatiecommissie deze prestaties niet beoordelen. En blijft dit veld leeg. Maar…. dat heeft wel consequenties voor de beoordeling van de ambities én voor Plan bij Governance/besturing).

Externe opgaven betreffen niet alleen door de gemeente vastgelegde opgaven maar kunnen ook regionale of landelijke opgaven betreffen waaraan de corporatie gecommitteerd is. Op het gebied van de energie geldt dit bijvoorbeeld voor het Convenant energiebesparing huursector 28 juni 2012, Koepelconvenant energiebesparing gebouwde omgeving en het Lenteakkoord energiezuinige nieuwbouw die in 2012 getekend zijn door Aedes, de Woonbond, Vastgoed Belang en het ministerie van BZK. Corporaties zijn gehouden aan de afspraken in deze energiebesparingsakkoorden (o.a.: alle woningen in 2021 energielabel B, zie artikel 8 van het convenant energiebesparing huursector). Voor alle corporaties geldt dit dus als een externe opgave(n) waaraan de prestaties moeten worden getoetst.

De minister benoemt periodiek prioriteiten waarvan corporaties geacht worden deze in hun bod op de woonvisie (en dus in de prestatieafspraken) te betrekken. In de Handreiking Woningwet zijn deze benoemd en toegelicht per prestatieveld. Rijksprioriteiten dienen verplicht in overweging te worden genomen, maar de corporatie kan wel, mits goed onderbouwd en in overleg met gemeente en huurdersorganisatie, besluiten dat er voor een of meerder rijksprioriteiten lokaal geen prestaties worden geleverd. De rijksprioriteiten moeten zichtbaar de revue passeren in ambitie/ondernemingsplan en dus via het bod op de woonvisie dat gebaseerd is op de ambitie van de corporatie  in de prestatieafspraken. Het kan wel zo zijn dat niet alles uit het bod in de prestatieafspraken terecht komt. Als de rijksprioriteiten niet in de ambities of het bod zichtbaar zijn, kan dat een reden zijn voor een lagere beoordeling bij het onderdeel ‘ambities’, afhankelijk van de wijze waarop de corporatie het ontbreken van de rijksprioriteiten heeft onderbouwd. NB de commissie kijkt naar de ambities (en hoe die passen bij de opgaven) maar beoordeelt niet het bod zelf (maar mag er natuurlijk wel iets over zeggen in bijv. de recensie).

Dat mag maar is niet persé noodzakelijk. De subkopjes per prestatieveld zijn bedoeld om richting te geven aan de invulling van het prestatieveld en een hulpmiddel om een zo compleet mogelijk beeld te geven van dat prestatieveld. Het is dus  een indicatieve opsomming. Het is aan de visitatiecommissie om per prestatieveld te inventariseren welke opgaven er voor de betreffende corporatie liggen en welke prestaties de corporatie daartegenover heeft gezet, zodat per prestatieveld een goed totaalbeeld geschetst wordt met bijbehorend oordeel.

Presteren naar Vermogen

Nee, een corporatie die (nog) onder verscherpt toezicht staat van de Autoriteit woningcorporaties (Aw) (voorheen CFV ) presteert niet volgens de normen van de Aw (ijkpunt voor een 6) en krijgt dus een onvoldoende voor financiële continuïteit. Afhankelijk van wat de bestuurder en/of de RvC heeft ondernomen om deze situatie te voorkomen, kan dit ook bij Governance leiden tot een onvoldoende beoordeling op de onderdelen besturing en toezicht.

Bij het onderdeel financiële continuïteit in Presteren naar Vermogen wordt gemeten of de corporatie voldoet aan de normen/kengetallen die de toezichthoudende instanties als WSW en Aw (voorheen CFV) stellen. Als een corporatie daar meerdere jaren of het laatste jaar niet aan voldoet c.q.onder verscherpt toezicht staat, een herstelplan moet schrijven etc krijgt ze voor dit onderdeel in beginsel een onvoldoende. Tegelijkertijd kan de corporatie op een ander onderdeel van Presteren naar Vermogen wel een goed cijfer krijgen, omdat bijvoorbeeld op een goed onderbouwde of zeer goed verantwoorde manier het beschikbare vermogen wordt ingezet.

Beoordeeld moet worden of een corporatie daadwerkelijk een gezonde, sobere bedrijfsvoering heeft en efficiënt omgaat met de beschikbare middelen. Deze beoordeling geschiedt op basis van benchmarkgegevens én managementdocumenten van de corporatie (en gesprekken met bestuurder, RvC, controller). Echter:

  • De vergelijking met de referentiecorporaties wordt primair gebaseerd op de CiP/CBC cijfers, die echter eenmaal per jaar worden vastgesteld en daardoor soms wat achter lopen op de feitelijke situatie (maximaal één jaar). Daardoor kunnen feitelijk gerealiseerde dalingen van de bedrijfslasten wel zichtbaar zijn op basis van interne cijfers van de corporatie maar nog niet in de CiP/CBC publicaties.
  • Er zijn verschillende kengetallen die tezamen aangeven hoe het met de doelmatigheid staat: ontwikkeling netto bedrijfslasten in de afgelopen vier jaar, aantal vhe per fte en personeelskosten per fte. Een corporatie kan in de CiP cijfers bijv. al zichtbaar beter scoren op twee van de drie kengetallen maar nog niet geheel op alle drie/vier.

Als daarnaast daadwerkelijk een actief beleid gevoerd wordt om de bedrijfslasten fors te reduceren, de doelmatigheid op allerlei manieren goed en zichtbaar verankerd is in de organisatie, er een heldere visie is op de doelmatigheid etc. (d.w.z. zaken die normaal gesproken tot duidelijke pluspunten zouden kunnen leiden) dan kan in bepaalde gevallen een onvoldoende geen recht doen aan de feitelijke situatie. In dat geval is het toegestaan dat er een 6 gegeven wordt, maar mogen er niet aanvullend nog pluspunten gegeven worden. Een 6 oftewel een voldoende is dan het maximaal haalbare. Belangrijk daarin is dat de commissie dit geheel goed en uitgebreid motiveert én dat er daadwerkelijk zichtbaar/toetsbaar al resultaten zijn die bewijzen dat de corporatie een sobere en doelmatige bedrijfsvoering heeft.

Governance

Benoemingen vanaf 1 juli 2015 moeten voldoen aan de vereisten uit de Woningwet. Voor zittende bestuurders en RvC-leden geldt echter nog overgangsrecht. 

Voor zittende bestuurders en RvC leden geldt artikel II lid 9 van de herzieningswet: 

Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25 en 30 van de Woningwet heeft geen gevolgen voor de benoeming of aanwijzing van personen tot bestuurder van een toegelaten instelling of tot lid van een orgaan van een toegelaten instelling waaraan het toezicht op het bestuur is opgedragen, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van deze wet heeft plaatsgevonden.

U vindt de herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting hier: http://wetten.overheid.nl/BWBR0036530/#Hoofdstuk2_ArtikelII

 

Al in de Governancecode 2011 (als verplichte bepaling) en nu in de Governancecode 2015 en de Woningwet is vastgelegd dat leden van de RvC/RvT slechts 1 keer herbenoemd mogen worden voor een termijn van vier jaar. Als een corporatie daar niet aan voldoet, betekent dat een onvoldoende voor toepassing van de Governancecode (en afhankelijk van het aantal jaren dat dit zich voordoet eventueel ook extra minpunten). 

De Woningwet bevat echter ook overgangsrecht:  zittende bestuurders en commissarissen mogen hun termijn afmaken, ook al voldoen ze daarmee niet aan de bepalingen van art. 25 resp. 30 van de Woningwet.

Het is pas vanaf 1-1-2017 wettelijk verplicht om aangepaste statuten te hebben. Het is bovendien nog lange tijd onduidelijk geweest welke wijzigingen in de Woningwet nog zouden worden doorgevoerd. Wij vinden in dit geval een onvoldoende mogelijk te streng. De zeer zorgvuldige corporatie had anders in een paar jaar tijd meerdere keren de statuten moeten wijzigen. Dat lijkt, mede gezien alle onzekerheden, niet realistisch. 

Belangrijk is om te beoordelen in hoeverre en op welke wijze de corporatie de Governancecode (en de Woningwet) toepast door er in de praktijk naar te handelen. Als wel de termijnen zijn aangepast in de verslagen, jaarverslagen, op de site etc., men overgangssituaties goed heeft beschreven, nieuwe commissarissen werft op basis van nieuwe termijnen etc. dan is ons inziens een onvoldoende niet zonder meer op z’n plaats, maar kan de corporatie een voldoende krijgen. M.a.w. voor de beoordeling in de visitatie is het vooralsnog voldoende wanneer de code in de geest wordt toegepast, zonder dat de statuten ook reeds zijn gewijzigd.

Rol SVWN

 SVWN organiseert geen bijeenkomsten waar de visiterende bureaus zich kunnen presenteren. Wel heeft SVWN op haar website een overzicht van de visiterende bureaus die door SVWN geaccrediteerd zijn, met daarbij een link naar de betreffende bureaus. Marketing en PR zijn verder een eigen verantwoordelijkheid van de bureaus. SVWN ziet toe op hun onafhankelijkheid en op de juiste toepassing van de methodiek. Alle visitatierapporten die tot nu beschikbaar zijn, staan op onze website, daar kunt u ook op bureau selecteren. Een vergelijking tussen de benaderingswijzen van de bureaus kunt u hieruit afleiden. SVWN speelt geen rol in de keuze van de bureaus.

SVWN is de door de minister aangewezen instantie die deskundige instanties (de bureaus) aanwijst die mogen visiteren. Aedes/VTW en (waarschijnlijk vanaf 2017) de Aw zien  toe op de naleving van de visitatieplicht.

SVWN heeft onder meer een rol in het openbaar maken van de visitatierapporten. Dit is een belangrijk onderdeel van de Governancecode, waarin is bepaald dat visitatierapporten openbaar en voor iedereen toegankelijk moeten zijn. De invloed van SVWN strekt zich niet uit tot het gebruik van de uitkomsten van visitaties. Met de methodiek willen wij wel het gebruik van de resultaten uit de visitaties bevorderen, zodat de meerwaarde voor de corporaties zo groot mogelijk is. Het WSW en de Aw gebruiken de resultaten van de visitaties over en weer in hun oordeelsvorming als een van de gegevensbronnen. Voor hen zijn deze rapporten relevante aanvullende informatie, zeker als de rapporten recent zijn. Het ministerie van BZK gebruikt de visitatierapporten voor de Staat van de volkshuisvesting en bij de vierjaarlijkse evaluatie van SVWN.

Nee, SVWN verstrekt geen goedkeuring aan de rapporten maar beoordeelt – steekproefsgewijs - de visitatierapporten op het correct toepassen van de geldende methodiek én op de transparantie van de oordeelsvorming. Dat betekent niet dat SVWN de inhoud van de rapporten goedkeurt maar wel beziet of er correct volgens de geldende methodiek is gewerkt. Het resultaat van deze toetsing wordt in een beoordelingsbrief aan het visiterend bureau gestuurd. SVWN ontvangt vervolgens van het visiterend bureau het definitieve visitatierapport waarin de opmerkingen uit de beoordelingsbrief waar mogelijk zijn verwerkt. Daarnaast verwoordt het bureau in een separate brief op welke manier met de opmerkingen uit de beoordelingsbrief is omgegaan. SVWN gebruikt deze brieven mede in haar accreditatieprocedure voor de visiterende bureaus. Het bureau stelt vervolgens de definitieve rapportage vast en verstuurt deze naar de corporatie en SVWN ter publicatie op de website.

Bestuurlijke reactie/zienswijze

Het bestuur en de RvC formuleren na afloop van de visitatie een inhoudelijke reactie op de bevindingen van de visitatiecommissie. Uit deze reactie dient in ieder geval te blijken op welke wijze de corporatie om zal gaan met de verbeterpunten van de visitatiecommissie. Deze reactie wordt weer betrokken bij de visitatie over vier jaar. De bestuurlijke reactie wordt samen met het definitief vastgestelde visitatierapport gepubliceerd op de site van SVWN. Daarnaast dient deze reactie, tezamen met het visitatierapport, ook op de website van de corporatie worden geplaatst en naar de minister (via de Aw, Postbus 16191, 2500 BD  DEN HAAG) te worden gestuurd binnen 6 weken na definitieve vaststelling van het rapport.

Er is geen (inhoudelijk) verschil. De bestuurlijke reactie is de term zoals die in methodiek 5.0 wordt gehanteerd, de zienswijze is ingevoerd met de nieuwe Woningwet. In beide gevallen gaat het om de reactie van RvC en bestuur op de bevindingen van de visitatiecommissie. Deze reactie dient binnen 6 weken na het definitief vaststellen van het visitatierapport te worden opgesteld en verstuurd, samen met het rapport, naar de Minister (via de Aw, Postbus 16191, 2500 BD  DEN HAAG), de belanghebbenden en SVWN.

De corporatie dient de bestuurlijke reactie, samen met het definitief door het bureau vastgestelde visitatierapport dat getoetst is door SVWN, te sturen naar De Minister, via de Aw, Postbus 16191,2500 BD DEN HAAG.

De corporatie dient daarnaast het rapport en de bestuurlijke reactie te versturen naar alle belanghebbenden (met name gemeente en huurdersorganisaties). De Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland ontvangt het definitieve rapport en de bestuurlijke reactie via het visiterende bureau,waarna het wordt gepubliceerd op de website van SVWN.