kennis & inzicht
veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

Van vragen die ons vaker worden gesteld, hebben we de antwoorden hieronder verzameld. Staat uw vraag er niet tussen? Of spreekt u liever iemand persoonlijk? Twijfel dan niet en neem contact met ons op. We helpen u graag verder.


Visitatieproces

In de visitatiemethodiek wordt de opdrachtverlening voor de visitatie gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van RvC en bestuurder.

In art. 53a lid 2 Woningwet is bepaald dat de toegelaten instelling ervoor zorgt dat visitatie plaatsvindt. Volgens de toelichting op dat artikel dragen daarmee de RvC en het bestuur gezamenlijk zorg voor de opdrachtverstrekking: “Het bestuur en Raad van Commissarissen kunnen zo nader bepalen hoe dit proces verloopt” aldus de 2e Nota van Toelichting bij de Veegwet wonen.

Verder is zowel in de methodiek als in de Woningwet vastgelegd dat de bestuurlijke reactie/zienswijze op het visitatierapport door RvC én bestuur gezamenlijk dient te worden opgesteld.

Zie ook de vraag "Wat houdt de bestuurlijke reactie in?"

Nee, dat hoeft niet, maar het mag wel. Deze regel is ingevoerd om er voor te zorgen dat huurders als belangrijkste stakeholders vrijuit kunnen spreken en goed gehoord worden. Als er meerdere huurdersorganisaties zijn mogen deze wel gezamenlijk worden gehoord (maar niet samen met de gemeente of andere stakeholders).

In principe wel, maar dat hangt ook van de lokale situatie af. Als er sprake is van meerdere gemeenten waar de corporatie werkt kunnen deze eventueel gezamenlijk worden gehoord in een groepsgesprek. Als er sprake is van grote verschillen in de omvang van het woningbezit per gemeente kan volstaan worden met een face-to-face gesprek met de belangrijkste gemeente(n) en een telefonische of - bij grote aantallen gemeenten - schriftelijke enquête bij de gemeenten waar de corporatie slechts een miniem aantal woningen heeft (nog geen 1% van het bezit of een zeer gering aantal van bijvoorbeeld 5-10 woningen). De visitatiecommissie zal de gemaakte keuze om af te wijken van de standaard achteraf moeten verantwoorden in het visitatierapport.

Ja dat mag, mits er geen adviezen worden gegeven en het integraal onderdeel is van de rapportage. Dit kan bijvoorbeeld door een identieke bijlage die in alle afzonderlijke rapporten wordt opgenomen.

Dit mag niet als het vragen of onderwerpen betreft die geen onderdeel uitmaken van de visitatie, aangezien het visiterend bureau niet tegelijkertijd (of binnen een periode van twee jaar) ander werk voor de corporaties mag uitvoeren (dus geen organisatie-, financiële of andere adviesopdrachten). Een corporatie mag de visitatiecommissie wel extra vragen meegeven die qua onderwerp passen binnen de methodiek. Bijvoorbeeld specifieke vragen aan de huurders of andere belanghebbenden. Ook kan de corporatie (via bijv. de position paper) vragen om bepaalde items - die passen binnen de methodiek - nog wat scherper of uitgebreider te bekijken.

In die situatie zal de onafhankelijkheid of in ieder geval de schijnbare belangenverstrengeling in het geding zijn. Een bureau (incl. de daaraan verbonden visitatoren) en ook de leden van de visitatiecommissie dienen onafhankelijk te zijn ten opzichte van de corporatie, zo is vastgelegd in de accreditatiecriteria. Daarbij geldt dat de onafhankelijkheid tijdens en na afloop van de visitatie op geen enkele manier in discussie mag zijn. Het bureau moet daartoe, voorafgaand aan de visitatie een risicoanalyses maken. In deze risicoanalyses dient mogelijk schijnbare belangenverstrengeling te worden meegenomen. 

Onafhankelijk betekent dat er geen enkele zakelijke relatie mag bestaan tussen de corporatie en het bureau c.q. hun visitatoren. Voor het bureau geldt daarbij een termijn van twee jaar vóór de visitatie tot twee na de visitatie. Dat betekent dat als het RvC lid is vertrokken, pas twee jaar nadien het bureau een visitatie bij die corporatie kan uitvoeren.

Voor individuele visitatoren geldt een termijn van vier jaar vóór de visitatie tot twee jaar erna dat zij geen visitatie bij die corporatie mogen uitvoeren. 

In de recensie kan de visitatiecommissie verbeterpunten opnemen. Daarbij gaat het om wat er verbetering zou behoeven en niet om aanbevelingen hoe dit kan worden verbeterd. Want met aanbevelingen hoe dit verbeterd zou kunnen worden geeft de visitatiecommissie adviezen, wat in een visitatietraject (of twee jaar daarna) niet is toegestaan. 

Als het visitatierapport, na de eindbespreking met Bestuur en RvC en de steekproefsgewijze toetsing door SVWN, definitief is vastgesteld door het visiterende bureau dient de corporatie:

  1. een bestuurlijke reactie op te stellen (reactie van Bestuur én RvC op visitatie en toelichting op wat men met de verbeterpunten en andere zaken uit het rapport gaat doen).
  2. deze reactie samen met het visitatierapport binnen 6 weken na de datum van het rapport te versturen naar SVWN en op de eigen website te plaatsen. 
  3. het rapport te versturen naar en vervolgens te bespreken met de betrokken belanghebbenden.

Nee,dit hoeft niet omdat woningcorporaties niet aanbestedingsplichtig zijn. Daarnaast blijven de kosten van een visitatie over het algemeen onder het drempelbedrag. 

Handige links

Via de site van de Aw zijn de meest actuele toezichtsbrieven (vanaf 2019) te vinden. Indien de brief hier niet is gepubliceerd kan deze rechtstreeks bij de corporatie ten behoeve van de visitatie worden opgevraagd.

Via de site van het Aedes datacentrum kunt u per corporatie een factsheet van de resultaten uit de Aedes-benchmark bekijken en/of downloaden. 

De Autoriteit woningcorporaties (Aw) heeft een dashboard ontwikkeld dat inzicht geeft in de beleidswaarde en andere financiële kengetallen en kenmerken van het corporatiebezit die van belang zijn voor de sturing van corporaties. In het dashboard kunt u een vergelijking maken per onderdeel met de woningmarktregio, corporaties onderling, grootteklasse en afgezet tegen het gemiddelde van Nederland. Hierdoor kunt u verdiepende analyses uitvoeren. De informatie is per pagina te downloaden. De informatie voor het dashboard komt van de jaarlijkse prognose- en verantwoordingsinformatie over de activiteiten en de financiële positie van woningcorporaties. Deze moeten zij aanleveren bij de Aw. Zij gebruikt deze informatie voor het uitvoeren van de toezichtstaken.

SVWN heeft op de site een mooie Visitatiebenchmark ingericht. Hier kunt u verschillende vergelijkingen maken van de beoordelingen in cijfers van de visitaties:

  1. Vergelijkingen tussen uw corporatie met de cijfermatige resultaten van de visitatie van:Corporaties in dezelfde referentiegroep qua portefeuillesamenstelling (referentiegroep 1-10)
    • Corporaties in dezelfde referentieregio (indeling van Nederland in 40 corop-gebieden)
    • Corporaties in dezelfde woningmarktregio (de 20 recent vastgestelde woningmarktregio’s op basis van de Woningwet 2015)
    • Corporaties met dezelfde omvang (grootteklasse van XXS tot XL).
  2. Vergelijking van de scorekaart van de meest recente visitatie van één corporatie en de vorige visitatie van deze corporatie. 5.0-1 staat voor de eerste keer dat een corporatie met methodiek 5.0 is gevisiteerd, en 5.0-2 voor de tweede keer met deze methodiek. 
  3. Vergelijking van een corporatie met een aantal zelf te selecteren andere corporaties.
  4. Vergelijking van de visitatiescores van alle corporaties in een bepaalde categorie. Dit is mogelijk per referentiegroep, referentieregio, woningmarktregio, grootteklasse en op jaar.

Visitatietermijn

Volgens de Woningwet dient elke corporatie zich ten minste eenmaal per vier jaar te laten visiteren. De visitatie is een terugblik op de achterliggende vier jaren. De visitatie betreft bij voorkeur hele en soms halve kalenderjaren. De nieuwe visitatie moet in ieder geval aansluiten op de vorige periode c.q. jaren van onderzoek.

Het ijkmoment is de dagdatum van het vorige visitatierapport: de op de voorkant vermelde datum van definitieve vaststelling. Uiterlijk vier jaar na deze datum dient de volgende visitatie te zijn afgerond en het volgende rapport te worden opgeleverd. 

NB dit is exclusief de termijn voor de bestuurlijke reactie: die moet uiterlijk 6 weken na die dagdatum gepubliceerd zijn. Zie voor meer informatie ook: https://www.visitaties.nl/wanneer-weer.

Elke corporatie dient zich in principe eenmaal in de vier jaar te laten visiteren door een door SVWN geaccrediteerd bureau. Met ingang van 1 januari 2022 kan het bestuur van de toegelaten instelling, indien naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, besluiten de termijn van vier jaar met een jaar te verlengen of op te schorten, in welk geval het bestuur dit onderbouwd verantwoordt in het jaarverslag. Benadrukt wordt dat enkel in uitzonderlijke situaties gebruik gemaakt kan worden van deze uitstelmogelijkheid, bijvoorbeeld wanneer een visitatie vanwege een fusietraject niet binnen de gestelde termijn uitgevoerd kan worden. Vervolgens moet de corporatie binnen het extra jaar alsnog gevisiteerd worden. Het is niet toegestaan een tweede keer in dezelfde visitatieperiode gebruik te maken van de uitstelmogelijkheid. De Aw neemt dit mee in haar governance- en rechtmatigheidstoezicht.

Het visitatieproces kent een aantal fasen. Allereerst de selectiefase waarin de corporatie de keuze maakt voor een van de vijf visiterende bureaus. Vervolgens de feitelijke visitatie waarvoor het visiterend bureau altijd een planning zal opstellen (gemiddeld 2-4 maanden). Het concept visitatierapport zal in een eindbespreking worden besproken met directie en RvC waarna het visiterend bureau het rapport opstuurt naar SVWN ter toetsing. Vanaf dat moment gaat er wettelijk twee keer een termijn van 6 weken gelden, namelijk voor de toetsing van de rapportage en de definitieve vaststelling van het rapport en vervolgens voor het opstellen van de bestuurlijke reactie/zienswijze en de publicatie daarvan met het visitatierapport. Zie voor meer informatie ook de handreiking woningwet*.

*In deze handreiking wordt verwezen naar methodiek 5.0. Vanaf januari 2019 wordt er gewerkt met methodiek 6.0

Elke corporatie moet eens in de vier jaar worden gevisiteerd volgens de op dat moment geldende methodiek. Alle visitaties die na 1 maart 2019 starten maken gebruik van methodiek  6.0.

Voor een gefuseerde organisatie geldt dat de visitatie de achterliggende vier jaren moet bevatten en dat kan dus ook deels de jaren van vóór de fusie betreffen van de fusiepartners. In principe wordt, bij een fusie van min of meer gelijjkwaardige partijen qua omvang, de datum voor de volgende visitatie bepaald door de organisatie die het laatst is gevisiteerd. Bij een overname van een veel kleinere corporatie geldt de visitatiedatum van de grootste/de overnemende corporatie. Een fusie betekent niet dat de visitatieverplichting van een van de partners vervalt. Indien de fusie doorgaat moet de visitatie dus de prestaties van de achterliggende vier jaren omvatten, van beide/alle fusiepartners. Dit kan soms betekenen dat de periode waarop de visitatie van een van de fusiepartners betrekking heeft wat langer is dan vier jaar.

Position paper

Een position paper bestaat uit maximaal 2 à 3 A4'tjes (echt niet meer!) en wordt opgenomen in het visitatierapport in deel 1 of evt. als bijlage (zie pag. 19 van de methodiek).

De onderwerpen van een position paper zijn:

  • wie is de corporatie
  • waar staat ze voor
  • wat wil ze bereiken
  • waar staat ze nu en
  • is de bestuurder daar tevreden over?

De position paper is ingevoerd om het leren en de reflectie door de corporatie te stimuleren. Door vooraf een position paper te schrijven bezint en reflecteert de corporatiebestuurder op het functioneren van de corporatie. De bestuurder kan ook aangeven wat hij wil bereiken, waar hij nog niet tevreden over is en ook specifieke items voor de visitatie aandragen. De visitatiecommissie gebruikt de position paper in de gesprekken en geeft in de recensie aan of de corporatie staat waar ze denkt of zou willen staan.

Nee, dat is niet de bedoeling. De position paper heeft tot doel om meer reflectie in het visitatieproces te brengen. De position paper wordt opgesteld door de bestuurder (die daarvoor evt. overlegt met of input vraagt van MT of RvC) en dus niet door een externe of een visitator. De position paper wordt door de visitatiecommissie gebruikt in de diverse gesprekken waarbij de informatie daaruit wordt getoetst en besproken.

Bestuurlijke reactie / zienswijze

Het bestuur én de Raad van Commissarissen (RvC) formuleren na afloop van de visitatie een inhoudelijke reactie op de bevindingen van de visitatiecommissie. Uit deze reactie dient in ieder geval te blijken op welke wijze de corporatie om zal gaan met de verbeterpunten van de visitatiecommissie. Deze reactie wordt weer betrokken bij de visitatie over vier jaar. De bestuurlijke reactie wordt samen met het definitief vastgestelde visitatierapport gepubliceerd op de site van SVWN. Daarnaast dient deze reactie, tezamen met het visitatierapport, ook op de website van de corporatie worden geplaatst en tot 1 januari 2022 digitaal naar de Aw te worden verzonden via https://www.ilent.nl/contact/vragenformulier binnen 6 weken na definitieve vaststelling van het rapport.

Er is geen (inhoudelijk) verschil. De bestuurlijke reactie is de term zoals die in methodiek 6.0 wordt gehanteerd, de zienswijze is ingevoerd met de nieuwe Woningwet. In beide gevallen gaat het om de reactie van RvC en bestuur op de bevindingen van de visitatiecommissie. Deze reactie dient binnen 6 weken na het definitief vaststellen van het visitatierapport (datum op voorblad definitieve visitatierapport) te worden opgesteld en gepubliceerd.

De corporatie dient daarnaast het rapport en de bestuurlijke reactie te versturen naar alle belanghebbenden (met name gemeente en huurdersorganisaties). De Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland ontvangt het definitief vastgestelde rapport via het geaccrediteerde bureau dat de visitatie heeft uitgevoerd en publiceert deze op de SVWN site.

Nee. In het kader van voorkomen van internetfraude hoeft er geen handtekening op de gepubliceerde documenten te staan.

Scorekaart

Nee, voor de thema’s geldt dat niet. Op de scorekaart kunnen voor de thema’s wel cijfers staan met één getal achter de komma, omdat dat cijfer een gemiddelde is van de diverse prestaties per thema. Voor de beoordeling van de afzonderlijke onderdelen waaruit elk thema wordt opgebouwd moeten echter hele cijfers gegeven worden. Cijfers met één getal achter de komma kunnen dus alleen ontstaan als het om een gemiddelde gaat, zoals: het gemiddelde van deelcijfers voor opgaven vanuit de prestatietabel. Of bij belanghebbenden: vanuit de cijfers die belanghebbenden toekennen en die vervolgens gemiddeld worden.

Nee, elke afzonderlijke beoordeling dient met een geheel getal te worden beoordeeld. Alleen bij het samenvoegen van oordelen kan bij berekenen van een gemiddelde een cijfer ontstaan met maximaal 1 decimaal. Dus bij de berekening van de gemiddelde beoordeling van alle belanghebbenden (die elk met een heel getal beoordelen) ontstaat een rapportcijfer met maximaal 1 cijfer achter de komma.

De visitatiecommissie geeft een beoordeling in hele rapportcijfers (geen halfjes of 6 minnetjes). Dit is bedoeld om meer onderscheid te maken in de resultaten en ook goed zichtbaar te laten worden wanneer een corporatie nu echt goed of juist slecht presteert (op een bepaald onderdeel). En om te voorkomen dat alle resultaten blijven hangen rond de 6 of 7.

Jawel, er mogen nog wel cijfers met één getal achter de komma staan, maar alleen als het gaat om een gemiddelde van twee of meer beoordelingen. Zoals bijvoorbeeld het gemiddelde van cijfers voor de opgaven per thema.
Of bij het onderdeel Presteren volgens Belanghebbenden: Groepen belanghebbenden geven elk een beoordeling in hele cijfers die vervolgens gemiddeld worden.

Meetschaal

Belanghebbenden geven een cijfer voor de prestaties en over hoe tevreden ze zijn over de corporatie. Dat doen ze in de vorm van rapportcijfers (zoals ook weergegeven in de standaard visitatiemeetschaal, zie methodiek pag. 19). Daar staat geen norm anders dan dat een 6 voldoende is, een 7 ruim voldoende, 8 goed etc.

Voor Presteren naar Opgaven geldt vanaf methodiek 6.0 dezelfde meetschaal met rapportcijfers als voor PvB, PnV etc. waarbij het ijkpunt een 6 is en daarna met plus-en minpunten wordt bepaald of het cijfer hoger dan wel lager wordt dan het ijkpunt. Bij methodiek 5.0 werd bij PnO niet met plus/min gewerkt en was het cijfer louter afhankelijk van de kwantitatieve prestaties. Bij methodiek 6.0 tellen ook kwalitatieve criteria als inzet van de corporatie, creatieve oplossingen etc mee.

Ja, maar dat is afhankelijk van wanneer het vorige visitatierapport dateert. Bij methodiek 3.0 gebruikte elke visiterend bureau zijn eigen meetschaal (van 1-5, van 5-8 of van 1-10). Vanaf methodiek 4.0 is de uniforme meetschaal ingevoerd met rapportcijfers van 1 tot 10. Daarom zijn rapporten van methodiek 4.0 (vanaf 1-1-2011), methodiek 5.0 (vanaf april 2014) en methodiek 6.0 (vanaf maart 2019) goed vergelijkbaar als het gaat om Presteren naar Opgaven en Presteren volgens Belanghebbenden. Bij Ambities, Presteren naar Vermogen en Governance zijn de normen enigszins verzwaard (wat in 4.0 een 7 was, is bij 5.0 en 6.0 vaak een 6) maar verder zijn de resultaten grotendeels vergelijkbaar. Wel is de inhoud van Governance bij methodiek 6.0 veranderd doordat de overlap met de Aw eruit is gehaald.

Plus- en minpunten

Voor alle items die volgens de methodiek beoordeeld worden zijn ijkpunten vastgesteld. Als een corporatie voldoet aan deze minimale eis (ijkpunt) krijgt ze een 6 (= voldoende). Pluspunten kunnen alleen worden toegekend als voldaan is aan het ijkpunt. Het ijkpunt markeert dus de grens tussen voldoende en onvoldoende. Een van de doelstellingen van de methodieken 5.0 en 6.0 is om een beter onderscheid tussen goed en slecht presterende corporaties te kunnen maken. Daarbij horen duidelijke grenzen, evenals de mogelijkheid om veel hoger te scoren dan een 6 of 7 op basis van de pluspunten. Corporaties kunnen voor prestaties een 8, een 9 of zelfs een 10 halen; de visitatiecommissie zal haar beoordeling daarbij wel goed moeten onderbouwen en duidelijk maken – mede aan de hand van de pluspunten – dat de betreffende presentatie goed, zeer goed of uitmuntend is. Corporaties kunnen ook (veel) lager scoren dan een 6, indien bepaalde prestaties als (ruim of zeer) onvoldoende, danwel slecht of zeer slecht worden beoordeeld. De visitatiecommissie kan dan aan de hand van de minpunten komen tot een beoordeling met een 5, een 4 of nog lager.

Aan de prestaties van een corporatie op een bepaald meetpunt kunnen pas pluspunten worden toegekend als deze prestaties voldoen aan het ijkpunt. Het ijkpunt is een minimum waaraan een goed functionerende corporatie zou moeten voldoen. Indien daaraan niet wordt voldaan, tellen alleen de minpunten. Er vindt geen compensatie van plus- en minpunten plaats. Vergelijk: een auto met goede banden komt ook niet door de Apk-keuring als de remmen niet deugen.

Ja, dat klopt. Pluspunten kunnen alleen worden toegekend als voldaan is aan het ijkpunt. Het ijkpunt markeert dus de grens tussen voldoende en onvoldoende.

Een van de doelstellingen is om een beter onderscheid tussen goed en slecht presterende corporaties te kunnen maken. Daarbij horen duidelijke grenzen evenals de mogelijkheid om veel hoger te scoren dan een 6 of 7 op basis van de pluspunten. Corporaties kunnen voor prestaties een 8, een 9 of zelfs een 10 halen; de visitatiecommissie zal haar beoordeling daarbij wel goed moeten onderbouwen en duidelijk maken - mede aan de hand van de pluspunten - dat de betreffende presentatie goed, zeer goed of uitmuntend is. Corporaties kunnen ook veel lager scoren dan een 6, indien bepaalde prestaties als (ruim of zeer) onvoldoende, danwel slecht of zeer slecht worden beoordeeld. De visitatiecommissie kan dan aan de hand van de minpunten komen tot een beoordeling met een 5, een 4 of nog lager.

Ambities

Wanneer er slechts sprake is van een administratieve scheiding dan wordt Niet-DAEB gewoon in de beoordeling betrokken, want het is dan een activiteit van de te visiteren corporatie.

Als er sprake is van een juridisch afgescheiden vennootschap dan heeft de Aw het splitsingsvoorstel beoordeeld en heeft ook het WSW daarnaar gekeken. De visitator hoeft dat niet over te doen.

Wel kan de argumentatie voor scheiding of splitsing van belang zijn in de visitatie:

  • Bij ambities worden de strategische overwegingen van de corporatie rond de scheiding of splitsing van DAEB/Niet-DAEB bezit beoordeeld
  • Bij PnV (Vermogensinzet) speelt de argumentatie voor scheiding danwel splitsing ook een rol. Daarbij kan het belangrijk zijn wat de TI als aandeelhouder voor keuzes maakt ten aanzien van bijvoorbeeld de winst van de dochter of wat de volkshuisvestelijke/maatschappelijke doelen zijn met de dochter.

Beschouwing prestatieafspraken

In methodiek 6.0 is ingevoerd dat de visitatiecommissie een beschouwing (geen beoordeling!) geeft over de kwaliteit en het proces van de prestatieafspraken. Dit om meer zichtbaar te maken hoe de -sinds 2015 in de woningwet verankerde - lokale driehoek van corporatie-huurdersorganisatie – gemeente werkt en wat de kwaliteit is van de prestatieafspraken. Hiermee ontstaat ook een beter beeld van de corporatie in het lokale netwerk.

Ja en nee: de commissie geeft een beschouwing en geen beoordeling. De gemeente en huurders geven wel een beoordeling van de kwaliteit en het proces van de prestatieafspraken en desgewenst kan de corporatie dat ook doen. 

Presteren naar Opgaven

Bij PnO worden de prestaties van de corporaties beoordeeld in het licht van de thema’s die in de prestatieafspraken zijn opgenomen. Daarbij worden de thema’s genomen uit de prestatieafspraken van de grootste gemeente of de gemeente waar de corporatie het meeste bezit heeft.Verder geldt dat het gaat om thema’s die te maken hebben met de maatschappelijke prestaties en dus niet gericht zijn op interne zaken, de samenwerking of proceszaken. (Al kunnen er binnen een maatschappelijk thema wel procesafspraken gemaakt zijn en dus beoordeeld worden).

Daarnaast kan de corporatie zelf ook nog een thema aandragen als ze vindt dat anders een deel van haar maatschappelijke prestaties onvoldoende belicht wordt. Let op: dat thema mag geen intern gericht item zijn maar moet net als de andere thema’s gebaseerd zijn

Ja, mits dit prestaties zijn die door de corporatie zelf worden geleverd (en niet door een dochtervennootschap). Dus alle prestaties die door de corporatie geleverd worden, worden beoordeeld, ongeacht of er prestatieafspraken over gemaakt zijn en ongeacht of het DAEB of Niet-DAEB activiteiten betreft.

De minister benoemt periodiek prioriteiten waarvan corporaties geacht worden deze in hun bod op de woonvisie (en dus in de prestatieafspraken) te betrekken. In de Handleiding methodiek 6.0 zijn deze benoemd en toegelicht. Rijksprioriteiten dienen verplicht in overweging te worden genomen, maar de corporatie kan wel, mits goed onderbouwd en in overleg met gemeente en huurdersorganisatie, besluiten dat er voor een of meerder rijksprioriteiten lokaal geen prestaties worden geleverd. De rijksprioriteiten moeten zichtbaar de revue passeren in ambitie/ondernemingsplan en dus via het bod op de woonvisie dat gebaseerd is op de ambitie van de corporatie in de prestatieafspraken. Het kan wel zo zijn dat niet alles uit het bod in de prestatieafspraken terecht komt. Als de rijksprioriteiten niet in de ambities of het bod zichtbaar zijn, kan dat een reden zijn voor een lagere beoordeling bij het onderdeel ‘ambities’, afhankelijk van de wijze waarop de corporatie het ontbreken van de rijksprioriteiten heeft onderbouwd.

NB de commissie kijkt naar de ambities (en hoe die passen bij de opgaven) maar beoordeelt niet het bod zelf (maar mag er natuurlijk wel iets over zeggen in bijv. de recensie).

Presteren volgens Belanghebbenden

De visitatiecommissie dient met een substantiële vertegenwoordiging van de huurders te spreken, volgens de methodiek. Dat betekent normaal gesproken in ieder geval een gesprek met het bestuur van de huurdersorganisatie(s). Maar daarnaast of bij het ontbreken van een bestuur in plaats van, kan de commissie ook met bewonerscommissies spreken of een andere selectie van huurders. Daarnaast zal de commissie vaak een enquête uitzetten onder de huurders. De commissie dient de keuze wel te verantwoorden in het rapport.

Nee, de methodiek vereist dat er face-to-face gesprekken met een substantiële vertegenwoordiging van de huurders worden gevoerd: dus met de huurdersorganisatie en evt. ook bewonerscommissies of groepen huurders. Belangrijk is dat de huurders vrij uit kunnen spreken dus dat er een veilige omgeving hiervoor wordt gecreëerd door de visitatiecommissie. De meeste visitatiecommissie organiseren daarnaast nog een enquête onder grote groepen huurders maar dat is in overleg met de corporatie.

De belanghebbenden (huurders, gemeente en andere zorg- of welzijnsorganisaties) moeten in ieder geval dezelfde thema’s beoordelen als de commissie, namelijk de thema’s zoals zie in de prestatieafspraken zijn benoemd. Daarnaast kunnen door de visitatiecommissie nog andere thema’s worden toegevoegd als dat relevant is voor het beeld van de corporatie c.q. lokale situatie.

Presteren naar Vermogen

Bij de vernieuwing met methodiek 6.0 is er voor gekozen om onderwerpen die de Aw of het WsW reeds beoordelen niet opnieuw te beoordelen. Daarom geeft de visitatiecommissie geen cijfer meer voor financiële continuïteit en ook niet voor doelmatigheid.

Wel maakt de visitatiecommissie gebruik van de brieven en oordelen van de Aw en het WsW. Daarnaast wordt de Aedes benchmark gebruikt als een indicatie voor de doelmatigheid van de corporatie, in het licht van hoe de corporatie haar vermogen voor verschillende maatschappelijke doelen wil inzetten. Een corporatie kan bijv. een B in de benchmark voor bedrijfslasten nastreven omdat ze bewust een eigen onderhoudsdienst in stand houdt waarmee ze de leefbaarheid in de wijken beter kan volgen en de huurders gerichter van dienst kan zijn. Een andere corporatie streeft juist naar een A omdat dan zo min mogelijk geld naar de eigen bedrijfsvoering gaat en zoveel mogelijk maatschappelijk kan worden ingezet. Kortom de motivatie voor de inzet van het vermogen voor maatschappelijke prestaties bepaalt de beoordeling, niet louter het cijfer in de benchmark.  

Als er sprake is van een juridisch afgescheiden vennootschap dan heeft de Aw het splitsingsvoorstel beoordeeld en heeft ook het WSW daarnaar gekeken. De visitator hoeft dat niet over te doen.

Wel is dan de argumentatie voor scheiding of splitsing van belang in de visitatie: bij Vermogensinzet speelt de argumentatie voor scheiding danwel splitsing ook een rol. Daarna kan het belangrijk wat de TI als aandeelhouder doet met de winst van de dochter en of er volkshuisvestelijke/maatschappelijke doelen zijn met de dochter.

Rol SVWN

 SVWN organiseert geen bijeenkomsten waar de visiterende bureaus zich kunnen presenteren. Wel heeft SVWN op haar website een overzicht van de visiterende bureaus die door SVWN geaccrediteerd zijn, met daarbij een link naar de betreffende bureaus. Marketing en PR zijn verder een eigen verantwoordelijkheid van de bureaus.

SVWN ziet toe op hun onafhankelijkheid en op de juiste toepassing van de methodiek. Alle visitatierapporten die tot nu beschikbaar zijn staan op onze website. Daar kunt u ook op bureau selecteren. Een vergelijking tussen de benaderingswijzen van de bureaus kunt u hieruit afleiden. SVWN speelt geen rol in de keuze van de bureaus.

SVWN is de door de minister aangewezen organisatie die deskundige instanties (de bureaus) aanwijst die mogen visiteren. De Aw ziet toe op de naleving van de visitatieplicht.

SVWN heeft onder meer een rol in het openbaar maken van de visitatierapporten. Daarnaast wil SVWN het gebruik van de resultaten uit de visitaties bevorderen, zodat de meerwaarde voor de corporaties zo groot mogelijk is. Het WSW en de Aw gebruiken de resultaten van de visitaties over en weer in hun oordeelsvorming als een van de gegevensbronnen. Voor hen zijn deze rapporten relevante aanvullende informatie, zeker als de rapporten recent zijn. Het ministerie van BZK gebruikt de visitatierapporten voor de Staat van de volkshuisvesting en bij de vierjaarlijkse evaluatie van SVWN.

Nee, SVWN verstrekt geen goedkeuring aan de rapporten maar beoordeelt - steekproefsgewijs - de visitatierapporten op het correct toepassen van de geldende methodiek én op de transparantie van de oordeelsvorming. Dat betekent niet dat SVWN de inhoud van de rapporten goedkeurt, maar wel beziet of er correct volgens de geldende methodiek is gewerkt. Het resultaat van deze toetsing wordt in een beoordelingsbrief aan het visiterend bureau gestuurd. SVWN ontvangt vervolgens van het visiterend bureau het definitieve visitatierapport waarin de opmerkingen uit de beoordelingsbrief waar mogelijk zijn verwerkt. Daarnaast verwoordt het bureau in een separate brief op welke manier met de opmerkingen uit de beoordelingsbrief is omgegaan. SVWN gebruikt deze brieven mede in haar accreditatieprocedure voor de visiterende bureaus. Het bureau stelt vervolgens de definitieve rapportage vast en verstuurt deze naar de corporatie en SVWN ter publicatie op de website.

Vraag het Claudia

Vraag versturen